Opinie

De vloek van de peilingen

Richard de Jongh

Twee weken voor die gedenkwaardige woensdag 22 november stond PVV-leider Geert Wilders nog op ongeveer tien procent van de stemmen. Een ‘gewoon’ percentage voor zijn partij. Het is het ontevreden electoraat waarop hij, zou je kunnen zeggen, vast kan rekenen en dat sinds jaar en dag goed is voor zo’n vijftien Kamerzetels. Een substantieel aantal, maar verder zonder veel betekenis omdat de PVV politiek aan de kant staat en vijftien zetels te weinig is om verandering in die positie af te dwingen.

En toen.

Toen werd het november en plotseling schoot Wilders omhoog in de peilingen naar wel 25 procent. Hoe kon dat? Er is een politieke reden te bedenken: de VVD had de quarantaine van Wilders als het ware opgeheven door te suggereren dat er te praten viel over regeringsdeelname. Er is een campagne-inhoudelijke reden te bedenken: Wilders was in zijn televisie-optredens buitengewoon goed op dreef en stal keer op keer de show met een mengeling van charme, fermheid en welgezindheid.

Maar was dat alles? Gaat van peilingen en herhaalde peilingen en journalistieke aandacht voor die peilingen niet een autonoom en zichzelf versterkend effect uit? Er is toch zo iets als een band wagon effect: de fanfare trekt voorbij in de Dorpsstraat, het vrolijke publiek trekt achter de muziek aan en al die volgers trekken als vanzelf nog meer meelopers aan, totdat zich een stoet vormt die ineens goed blijkt voor niet vijftien, maar wel 37 Kamerzetels?

Er komt nog een aanpalend effect bij. Voor de grote verkiezingsdebatten op radio en televisie wordt omwille van de inhoudelijkheid een beperkt aantal lijsttrekkers uitgenodigd. Met twintig politici is het nu eenmaal lastig discussiëren. Wie worden aan tafel gevraagd? Je zou zeggen: vertegenwoordigers van de vijf of zes grootste fracties in de Tweede Kamer. Dat is een min of meer objectieve maatstaf. Maar in de televisiewereld gelden andere wetten, namelijk die van de peilingen. Vooruitlopend op de stem van de kiezer, dat wil zeggen op de uitkomst van de verkiezingen zitten lijsttrekkers aan tafel die hoog genoteerd staan in de stem van de peiler. Een voorbeeld en niet meer dan een voorbeeld: in de Tweede Kamer was D66 de laatste jaren de op één na grootste fractie. In de peilingen vertoonde de partij een dramatisch verval. Op grond daarvan werd de partij overgeslagen voor de grote debatten. Zou daarvan niet een zichzelf versterkend effect uitgaan?

De Kieswet regelt niets over peilingen. Wel geldt een gentleman’s agreement dat peilingbureaus op de dag van de verkiezingen, gedurende de openingstijden van de stemlokalen geen enquêteresultaten naar buiten brengen. In beschaafde landen om ons heen, zoals in Frankrijk, mogen peilingen vanaf een week voor de verkiezingen niet worden gepubliceerd. Ook Spanje, Portugal en Polen kennen beperkingen. Kennelijk bestaat brede overeenstemming over de veronderstelling dat van peilingen naar kiezersgunst een autonoom effect uitgaat.

Ik geloof dat je geen statisticus of actuaris hoeft te zijn om beredeneerd te mogen aannemen dat uitkomsten van peilingen de resultaten van daarop volgende peilingen versterken die op hun beurt weer een accelererend effect sorteren, in negatieve én in positieve richting. Zo kom je als politicus ook tot je eigen verbazing opeens op 37 Kamerzetels uit.

Het gaat niet om Geert Wilders. Wel gaat het om de vraag of we op belangrijke momenten in een democratie zulke externe effecten ongebreideld moeten toelaten. Dat hierover dezer dagen zelfs geen begin van een publiek debat ontstaat, verbaast me.

Meer columns