Hoe leef ik met de dood voor ogen?

Richard de Jongh

Op mijn zoektocht naar markant leiderschap ontmoette ik Pepijn Storm van Leeuwen. Hij was een imposante verschijning: een grote, in zekere zin voorname gestalte, in contrast met een zacht gezicht. Pepijn was een succesvol consultant en voordien onder meer liaison officer bij SFOR, de internationale militaire macht die in de tweede helft van de jaren negentig de broze vrede op de Balkan moest bewaken.

Ik gebruik hier de verleden tijd: Pepijn was. Storm van Leeuwen overleed in december 2023 aan longkanker. Hij was 54 jaar. Bijna vijf jaar had hij gestreden met zijn ziekte, niet ertegen. Door los te laten bleef hij regie houden over zijn lot. In een gesprek van twee uur bij mij thuis, kort voor zijn dood legde hij uit hoe hij dat bewerkstelligde.

Lang kende ik Pepijn niet. Een zoon van hem is een vriend van een van mijn zoons. Zo hebben we elkaar leren kennen, eigenlijk zijdelings. Ik vond hem een mooi mens. Een warme twinkeling in zijn ogen, ook in de laatste dagen en altijd volledig in contact met zijn omgeving, open en betrokken. In de manier waarop hij omging met zijn dodelijke ziekte bevestigde hij voor mij een grote levenswijsheid: niet in de bestemming, maar in de weg daarheen ligt de waarde van ons leven. In zijn geval ging het om de keuzes die hij maakte op de weg naar zijn dood. Zeer bewust, maar zonder ophef koos Pepijn ervoor om in tijden van crisis de regie vast te houden. Niet terwille van zichzelf, maar voor zijn omgeving. Daarin toonde hij zich een groot leider.

Pepijn Storm van Leeuwen: ‘Ik weet mij nog heel goed het moment te herinneren waarop ik besloot de koers te gaan varen die ik heb gevaren. Het was 2019, ik was 50, ik was net een half jaar bezig als zelfstandig consultant en het was de eerste week waarin mijn ziekte zich openbaarde. Mijn bedrijf liep hartstikke goed. Ik had een opdracht gedaan voor de Nationale Politie en werkte aan een klus voor de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, NCTV. Commercieel gezien had ik een prima positie, de opdrachten kwamen eigenlijk als vanzelf. Ik werkte kneiterhard, al was ik wel wat moe en kuchte ik veel. Waarschijnlijk een longontsteking, zei de huisarts. Het werd niet beter. Toch maar even een foto laten maken. Ik was nog niet terug uit de polikliniek of de telefoon ging: kom direct naar de spoedeisende hulp. Ik had longembolie, maar ze zagen ook nog iets anders: een tumor van vijf bij tien centimeter in mijn rechterlong. Ik bleek longkanker stadium 4 te hebben. Dan besef je dat je op een finaal spoor zit.

‘Ik weet dat ik in die eerste week tegen mijn vrouw heb gezegd: we kunnen onze jongens niet behoeden voor deze catastrofe. Het enige dat we wel kunnen doen is voorleven hoe je deze weg aflegt, de weg naar het einde. Je moet aan je kinderen laten zien hoe je de pijn en het verdriet opneemt en hoe je het, voor een deel, van je af kunt laten vallen. Het was het moment waarop Mireille en ik tegen elkaar zeiden: deze pakken we.

‘Ik wil mijn jongens – ze zijn 16 en 20 – in staat stellen te leven met de dood van hun vader. Ik kan ze er niet tegen beschermen, ik kan hen wel leren er zelf mee aan de slag te gaan. Ik heb geprobeerd hen voor te houden dat er zoiets bestaat als keuzes. In wat mij is overkomen, heb ik geen keuze. Maar hoe ik ermee omga, daarin heb je wel degelijk keuzes, altijd weer.’

‘Aanvankelijk was de prognose dat ik nog slechts weken te leven had, misschien een paar maanden. Later werd duidelijk dat ik meer tijd kreeg. Ik ben weer full swing gaan werken, ook al was ik ziek. Ik werkte buitensporig hard, heb ik altijd gedaan. Ik kon mijzelf bijna letterlijk over de kling jagen. Ik dacht: voordat je doodgaat moet je zoveel mogelijk geld verdienen om achter te laten voor je gezin. Het was voor een deel verantwoordelijkheidsgevoel, het kwam ook voort uit diepe onzekerheid.

‘Hoe heb ik chaos in mijn hoofd bedwongen? Ik ben gaan mediteren. Ik had het niet gedacht van mezelf. In het Helen Dowling instituut in Bilthoven, waar kankerpatiënten worden begeleid, drong men erop aan: doe aan mindfulness, ga mediteren. Het voelde als een sjabloon, een model dat te veel is gevolgd. Ze konden me ook niet precies uitleggen waarom het dan zo heilzaam zou zijn. Dan zit je daar, een man in krijtstreep die denkt: goed bedoeld, maar niks voor mij.

‘Op zeker moment belde mijn compagnon. Hij had een vrouwelijke vakgenoot ontmoet, ook kankerpatiënt. Zij had heel veel baat bij meditatie. Die vrouw heeft een overtuigend verhaal, zei hij, en ze is bereid met jou een gesprek aan te gaan. Ik dacht: dit is in korte tijd nu al de tweede keer dat meditatie mij wordt aangeraden. Zo’n signaal  mag ik niet wegwuiven.

‘Mijn compagnon had een gesprek geregeld ergens in Noordwijk, ik verwachtte een vrouw in bloemetjesjurk, een kruidenvrouwtje. Er verscheen een strak geklede, hoog opgeleide Amerikaanse zakenvrouw. Ze vertelde me over haar landgenoot dr. Joe Dispenza en over de wetenschappelijke basis die ten grondslag ligt aan zijn methode om daadwerkelijk te veranderen. Stemmetjes in mijn hoofd zeiden: ja, dat zal wel en o ja, nog wetenschappelijk ook, toe maar. En toch was ik geïntrigeerd. Vroeger werkte ik in het leger, als verkenner. Ik dacht: dát ga je doen, je gaat dit nieuwe terrein verkennen en dan zie je het wel.

‘Het werd het begin van een nieuwe tijd. Mediterend ben ik letterlijk zeeën van tijd gaan voelen om keuzes te maken. Ik dacht terug aan een ervaring in Bosnië. Als liaison officer van SFOR rijd ik met mijn tolk door de bergen, in een bocht is er opeens black ice. Het ziet eruit als asfalt, het is ijs en het is spekglad. Naast ons een afgrond, geen vangrail. Mijn jeep slipt, ik hoor de tolk naast mij gillen. Ik voel dat ik de situatie onder ogen zie, ik neem mijn tijd, ik denk: dit is een vierwielaangedreven auto, ik zie een randje gras langs het ravijn, ik wacht tot mijn achterwiel het gras raakt en geef gas. We schieten de bocht door.

‘Wat toen gebeurde gebeurt nu: de volledige acceptatie van mijn lot. Een van de aanbevelingen van dr. Joe Dispenza luidt: bedenk een 2.0 versie van jezelf. Werk het uit tot in details. Bedenk hoe zo iemand loopt, hoe zo iemand praat en voelt. Wonderbaarlijk wat daarmee te bereiken is. Ter illustratie: ik had in het verleden last van hogere krenkbaarheid. Ik kon heel boos worden, bijvoorbeeld als ik mij niet gezien voelde. Dan werd ik het mannetje, blies ik mijzelf op. Voor mijn kinderen en mijn vrouw was dat niet altijd even leuk. Ik ben ermee aan de slag gegaan. Wat je doet is jezelf herprogrammeren. Ik begon succesjes te boeken, ik dacht: hé, een nieuwe vorm van leven, een nieuwe wereld.

‘Ik heb mijn krenkbaarheid overwonnen. In mijn werk was ik, ook tijdens mijn ziekte,  een harde leider, in de eerste plaats voor mijzelf. We hadden stakeholders die gewoon moeilijke mensen waren. Dom en halsstarrig. Hopeloos. Die kerels konden het bloed onder mijn nagels vandaan halen. Tegelijk moest ik onderkennen dat het nergens toe leidde. Ik merkte dat mensen bang van mij werden.

‘Ik veranderde mijn opstelling; de mensen op wie ik zo boos kon worden, ging ik met empathie benaderen. Ze waren perplex: hoe opeens die heel andere houding? Ze verwachtten een klap en die klap kwam niet. Het was niet instrumenteel van mij. Het was geen handigheidje. Door meditatie had ik regie weten te krijgen over mijn krenkbaarheid. Laat ik het zo maar zeggen: ik had het vermogen verworven om met liefde te kijken naar de ander en naar zijn beperkingen.

‘Ik werd langzaam maar zeker een betere versie van mijzelf. Wat zijn daarvan de kenmerken? Vergevingsgezindheid, compassie, empathie. Ik mediteer nu zo’n jaar of drie. Ik doe het twee keer per dag. Als ik mediteer, verdwijnt mijn ego. We hebben allemaal een stem in ons hoofd. Het is een kamergenoot. Jij bent het niet zelf, ook al denken we vaak van wel. Als mijn zelf verdwijnt, is er alleen nog die stem. Het is een moeilijke exercitie, maar door echt alles los te laten en me in vol vertrouwen over te geven, raak ik vervuld van iets heel moois. Dan is er ruimte om mijn geest te laten vullen met… tja, hoe noem je zoiets? Noem het goddelijke liefde, noem het vrede. Langs die weg kan ik ook mijn eigen dood aanvaarden.

‘Door te mediteren herprogrammeer ik mijzelf. Het stelt me in staat de dag te beginnen met een positieve intentie. Het mooie is: je voelt energie, je straalt het uit, je kunt er zijn voor je geliefde. In mijn werk streed ik vaak tegen mijn onzekerheid. In de afgelopen vierenhalf jaar heb ik geleerd juist te vertrouwen op het onzekere, op het onbekende. Daar niet bang voor te zijn. Ik dank het aan mijn ziekte. Die vierenhalf jaar waren een groot geschenk. Chronologisch is het een vluchtige tijd, naar intensiteit en kwaliteit is het extreem waardevol geweest. Zelf heb ik het gevoel, en ook mijn jongens geven dat aan, dat de afgelopen jaren voor mij en mijn gezin eigenlijk de beste jaren waren. Juist omdat we zo nabij waren en echt contact hadden.

‘Ik zou dit iedereen gunnen. Ik ben in mijn hele ziekteproces mijzelf niet verloren. Eigenlijk zeg ik tegen mezelf: je bent al dood. Daarmee heb ik ruimte gecreëerd. De basis is aanvaarding. Ik voel rust en kalmte. Ik mediteer veel met Mireille, mijn vrouw. Dan delen we positieve energie. Daar zit onze connectie. Ik zeg: ga naar je hart, want daar ben ik en dat is tijdloos.’

Meer columns